Onderzoek naar format, onderwerp, accounttype en posttijd bij 22 Nederlandse B2B-bedrijven
Posten op Linkedin kan frustrerend zijn. Je bent soms een dag bezig met het bedenken, schrijven en posten van een video op Linkedin. Het verhaal is sterk, de montage strak, alles ziet er gelikt uit. En wat levert het op? 2200 impressies. Even later zie je een post voorbijkomen. Het is een simpele foto met de tekst “Welkom, Mike” met 9800 impressies en 160 reacties. Hoe kan zo’n simpele post beter presteren dan een gelikte video?
Wij beheren al jaren LinkedIn profielen van tientallen B2B-bedrijven. We posten meerdere keren per week, meten de resultaten en sturen waar nodig bij.
Kortom: wij weten wat werkt en wat niet, op basis van jarenlange ervaring en internationale benchmarks.
Toch begonnen de internationale benchmarks te knagen. Ze geven niet altijd het juiste beeld. De VS is een andere markt dan Nederland, de bedrijven zijn groter en de budgetten ook. Wij willen advies geven op basis van harde cijfers, direct toepasbaar op onze doelgroep: B2B-bedrijven met lange sales cycles.
Tijd dus om in onze data te duiken.
We verzamelden 3.661 posts van 22 klanten.
Samen goed voor 5,1 miljoen impressies, verspreid over ruim een jaar.
We analyseerden welke formats werken.
Welke onderwerpen scoren.
En wat wint: de bedrijfspagina of het persoonlijke profiel?
Voor aanvullende context pakten we de internationale onderzoeken erbij. Onze eigen data schetsen een beeld, de internationale onderzoeken vertellen het verhaal. Die verklaren wat we in de data zien.
Dit rapport is onderdeel van het Red Panda Research Lab. Elke maand duiken we in onze eigen data en vergelijken die met internationale benchmarkrapporten. Zo weten we vroeg wat er speelt in B2B-marketing. Een paar inzichten uit dit rapport gaan in tegen wat veel marketeers denken te weten over LinkedIn.
Voordat we de data induiken, eerst een korte introductie: waar komt onze data vandaan? We gebruiken een tool in Notion waarmee we voor een deel van onze klanten posts inplannen. Die data hebben we geëxporteerd.
De primaire databron bestaat uit exports van 22 B2B-organisaties, goed voor 4.957 gepubliceerde posts en in totaal 5,1 miljoen organische impressies op LinkedIn. De data beslaat de periode 2024–2026 en omvat zowel posts van persoonlijke profielen als bedrijfspagina's, verspreid over sectoren als IT, SaaS en professionele dienstverlening. Per post zijn impressies, reacties, commentaren, delingen, postformaat, accounttype en publicatietijdstip geregistreerd.
Om de eigen data in perspectief te plaatsen, is deze aangevuld met bevindingen uit extern platformonderzoek. Dat omvat onder meer Richard van der Blom's Algorithm InSights Report 2025 (analyse van 2,4 miljoen posts), Socialinsider's LinkedIn Benchmarks 2026 (1,3 miljoen posts van 16.645 bedrijfspagina's) en Metricool's formatanalyse van 673.658 posts. Door beide naast elkaar te leggen wordt zichtbaar waar eigen bevindingen afwijken van het marktgemiddelde en waar ze het bredere beeld bevestigen.
Waarom we met de mediaan rekenen
In dit rapport rekenen we met de mediaan, niet het gemiddelde.
Waarom? Eén virale post trekt een gemiddelde compleet scheef.
Stel: negen posts halen 200 impressies, één gaat los met 20.000. Het gemiddelde komt uit op 2.180. Geen enkele post zit daar in de buurt. De mediaan pakt de post in het midden: 200. Dat is wat een normale post oplevert.
Zo bleek het vaak te gaan met de LinkedIn-posts: een paar posts gaan viraal, de rest beweegt rond een veel lager niveau. Reken je met het gemiddelde, dan meet je vooral die uitschieters. Met de mediaan zie je wat je echt kunt verwachten.
Daarom: mediaan, tenzij expliciet anders vermeld.
De belangrijkste vraag: welk format werkt het best? Maakt het uit of je een video, afbeelding of tekst post?
Ja, dat maakt uit. De data laat een duidelijke rangorde zien van de meest succesvolle formats, een rangorde die over vrijwel alle klanten en sectoren heen geldt.
Onze analyse van 3.661 posts van 22 klanten, samen goed voor 5,1 miljoen impressies, verspreid over ruim een jaar, geeft de volgende resultaten.
| Format | Posts (n) | Mediaan impressies | Mediaan ER |
|---|---|---|---|
| Carousel | 169 | 920 | 2,55% |
| Afbeelding | 1.211 | 770 | 2,17% |
| Video | 537 | 711 | 1,99% |
| Tekst | 927 | 649 | 1,79% |
| Article (native) | 74 | 490 | 1,75% |
Meer dan de helft van alle posts, 2.138 van de 3.661, is een afbeelding of een tekst.
Het zijn de makkelijkste formats om snel te produceren, maar de data toont dat ze niet het meeste opleveren.
Één format steekt er met kop en schouders bovenuit: carousel posts. Een carousel combineert meerdere afbeeldingen of slides in één post, waarbij de lezer door de content heen swipet. Met een mediaan van 920 impressies en 2,55% engagement rate scoort het op beide metrics het best.
LinkedIn's algoritme beloont dwell time (de tijd die iemand bij een post stilstaat). De verschillende slides zorgen dat een lezer even de tijd neemt om de post te lezen. Elke swipe telt als apart interessesignaal en dat vertaalt zich direct in meer organisch bereik.

Carousel posts scoren hoog, maar worden nauwelijks ingezet. Slechts 5% van alle posts in de dataset is een carousel. Bij 6 van de 22 organisaties is dit het best presterende format, terwijl het bij geen enkele organisatie het meest gebruikte format is.
Het succes zit deels in het format, deels in het onderwerp. Carousel posts gaan vaak over een van deze twee topics:
Dat maakt carousels ook onze favoriete posts. Ze geven ruimte om kennis te delen, een verhaal te vertellen en iets van jezelf te laten zien.

Wij zetten LinkedIn articles met succes in voor klanten. Het is dé plek om de diepte in te gaan. En een mooi pluspunt: je volgers krijgen bij publicatie meteen een melding. Maar deel je het article in een post, dan ziet bijna niemand het.
De mediaan van articles in de totale dataset heeft slechts 33 impressies, terwijl de tabel hierboven 490 laat zien. Dat verschil komt doordat we in deze analyse alleen bruikbare posts meetellen, met een drempel van minimaal 50 impressies per post. Articles met nul of weinig impressies vallen daardoor weg, waardoor het mediaan omhoog trekt.
In werkelijkheid haalt het overgrote deel van de articles nauwelijks bereik. LinkedIn geeft ze weinig ruimte in de gewone feed.
We zijn niet de enigen die LinkedIn-formats meten. Grote benchmarkstudies uit 2025 en 2026 (waaronder Socialinsider met 1,3 miljoen posts, Metricool met 673.000 posts en Van der Blom's Algorithm Report met 2,4 miljoen posts) laten dezelfde ranglijst zien: carousels en visuele content presteren beter dan pure tekst, articles vormen in elke studie de hekkensluiter op organisch bereik.
Wat wel verschilt: de engagement rate (ER) ligt in de internationale studies hoger. Dat zit 'm in de meetmethode. Wij berekenen ER als comments en reacties gedeeld door impressies. Internationale benchmarks tellen ook een klik op de foto of op 'meer lezen' mee als engagement, vandaar de hogere getallen.
De ranglijst blijft overeind ondanks dat verschil in meetmethode. Dat bevestigt de eigen bevindingen op grootschalig internationaal niveau.


| Formaat | Eigen data (mediaan imp.) | Eigen data (ER) | Extern benchmark | Externe bron |
|---|---|---|---|---|
| Carousel | 920 imp. | 2,55% | 7,00% ER; 1.451 gem. impressies; 2-3× bereiksmultiplier* | Socialinsider 1,3M posts + Metricool 673K posts |
| Video | 711 imp. | 1,99% | 6,47% ER, maar bereik −36% YoY | Socialinsider |
| Afbeelding | 770 imp. | 2,17% | 6,05% ER; 0,8 -1,2× bereiksmultiplier* | Socialinsider |
| Tekst-only | 649 imp. | 1,79% | 4,50% ER; 1,07× bereiksmultiplier* | SocialNexis |
| Polls | — | — | 4,40% ER; bereik dalend | Conbersa, 2026 |
| Articles | 490 imp. | 1,75% | Laagste bereik van alle formaten | Van der Blom 2025 |
*Bereiksmultiplier = een multiplier uitgedrukt als een factor ten opzichte van het platformgemiddelde van alle formats. Een multiplier van 1,07× betekent dus: tekst-only posts halen 7% meer bereik dan de gemiddelde post op LinkedIn.
Toch wisselt het resultaat per klant. Een afbeelding post haalt bij de ene organisatie 3,18% engagement rate, bij de andere 1,46%. Zelfde format, meer dan het dubbele verschil.
Format bepaalt dus niet alles. Doelgroep, sector en de keuze voor profiel of bedrijfspagina wegen even zwaar. Zie de ranglijsten in dit rapport als startpunt, niet als vaste regel.
De vraag die we het vaakst terugkrijgen:
“Moeten we posten via de bedrijfspagina of via onze medewerkers?”
Ons antwoord was altijd al gebaseerd op data, maar nu we ons eigen onderzoek hebben gedaan, kunnen we het onderbouwen met harde cijfers.
In onze analyse waren de 3.620 posts als volgt onderverdeeld:
| Aantal posts | Mediaan impressies | Mediaan ER | |
|---|---|---|---|
| Persoonlijk profiel | 1.999 | 751 | 1,6% |
| Bedrijfspagina | 1.621 | 259 | 3,3% |
Posts via een persoonlijk LinkedIn-profiel halen mediaan 751 impressies, tegenover 259 via een bedrijfspagina. Bijna drie keer minder.
Dit patroon herhaalt zich bij vrijwel elke organisatie die we onderzochten. De 30 best-bereikte posts in de hele dataset komen allemaal van persoonlijke profielen.
Hetzelfde geldt voor posts boven de 20.000 impressies.

Een bedrijfspagina krijgt van het algoritme minder feed-ruimte toegewezen. Extern onderzoek laat zien: bedrijfspagina's ontvangen gemiddeld slechts 5% van de beschikbare feed-ruimte; persoonlijke profielen domineren met ongeveer 65%. [Sprout Social - Q1 2026 Social Index]
Het vorige hoofdstuk liet zien dat het resultaat van een post deels afhangt van het format. Splits je deze data tussen persoonlijke profielen en bedrijfspagina's, dan blijkt dat verschil vooral zichtbaar bij persoonlijke profielen. Voor bedrijfsaccounts maakt het format veel minder uit: afbeelding, video en tekst leveren er ongeveer evenveel impressies op, en carousels presteren er zelfs zwakker dan de rest.

Persoonlijk posten levert op elk format meer bereik op, maar bij carousels is het verschil het grootst. Waar de eerder genoemde mediaan van 920 impressies een gemiddelde is over beide accounttypes, laat een split zien dat carousels op bedrijfspagina's juist het slechtst presteren en op persoonlijke profielen het best.
Bedrijfspagina's scoren mediaan 2,4% engagement rate, tegenover 1,9% voor persoonlijke profielen.
Logisch te verklaren: een bedrijfspagina bereikt vooral eigen volgers, mensen die al kozen om die pagina te volgen en dus sneller reageren. Een persoonlijk profiel bereikt een breder netwerk, met meer mensen die de poster oppervlakkig kennen. Een kleiner deel daarvan reageert, dus het percentage daalt.
Tel je de aantallen reacties bij elkaar op, dan wint het persoonlijke profiel alsnog. Bij een engagement rate van 1,9% op 829 impressies kom je uit op 15 reacties. Voor bedrijfspagina's kom je uit op 13 reacties (ER 2,4% van 558 impressies).
Ook in dit overzicht zie je dat bedrijfspagina's op een hogere engagement rate kunnen rekenen. Het duidelijkste verschil zit in tekstposts: lage engagement bij persoonlijke profielen tegenover hoge engagement bij bedrijfsprofielen, waarschijnlijk om dezelfde reden als hierboven. Bedrijfsprofielen kunnen altijd rekenen op likes van een vaste groep fans (klanten, medewerkers); het format maakt daarbij minder uit.

Een bedrijfspagina werkt als visitekaartje. Wie mensen wil bereiken, post vanuit medewerkers.
Conclusie: organisaties die alleen via de bedrijfspagina posten, bereiken een fractie van wat mogelijk is. Drie tot vijf medewerkers die actief posten, maken meer verschil dan elke bedrijfspost.
Het format dat je gebruikt heeft invloed op je bereik. Of je via een persoonlijk profiel of bedrijfspagina post, maakt nog meer verschil. Maar het onderwerp van je post telt minstens even zwaar.
Veel contentkalenders draaien om wat er nu te melden is: een nieuw product, een tip, een mijlpaal. Onze data laat zien dat sommige van die vaste onderwerpen het structureel slecht doen, terwijl de onderwerpen die nooit op de kalender staan juist het beste scoren.
De ranglijst laat duidelijk zien: LinkedIn beloont content waarin een mens centraal staat, niet content over een bedrijf.
De top wordt gedomineerd door persoonlijke onderwerpen, een nieuwe collega, een afscheid, een persoonlijke mijlpaal. Alles eronder heeft een zakelijker karakter en scoort consistent lager.
De onderwerpen die wél vaak gepland worden, doen het vaak slechter. Tips, productposts en klantcases vullen de meeste kalenders, maar staan onderaan de ranglijst. Vaak missen dit soort posts een persoonlijk verhaal of een herkenbaar gezicht.

Welkomstposts hebben een mediaan van 3.248 impressies, ruim vier keer het gemiddelde, met gemiddeld 80 reacties per post tegenover een gemiddelde van 23 voor de hele dataset. Hoe persoonlijker de post, hoe beter, zoals ook Deel 1 al liet zien.
25 van de 68 welkomstposts in de dataset haalden meer dan 3.000 impressies.
Opvallend: dit is een van de weinige topics waarbij bedrijfspagina's (mediaan 1.834 impressies) bijna net zo goed presteren als persoonlijke profielen (mediaan 2.148). Bij vrijwel alle andere topics is dat verschil veel groter. De beste posts in deze categorie haalden meer dan 9.000 impressies en 260 reacties.
De onderliggende reden: LinkedIn beloont posts waarbij de getagde persoon reageert. Als een nieuwe medewerker reageert op zijn eigen welkomstpost, ziet zijn netwerk de post ook, en een deel daarvan reageert weer mee. Het algoritme registreert die activiteit en toont de post aan meer mensen. Hetzelfde geldt andersom: bij een afscheidspost worden vaak collega's getagd die op hun beurt reageren.
Event-content scoort mediaan 683 impressies, maar de spreiding binnen deze categorie is groot. Aankondigingen zoals "schrijf je in voor ons webinar" halen weinig bereik.
Terugblikken waarbij iemand zijn beleving, een inzicht of een persoonlijk moment deelt, presteren structureel beter. De uitschieters in deze categorie zijn allemaal terugblikken, nooit aankondigingen. Sommige haalden meer dan 18.000 impressies.
Hetzelfde patroon zien we bij podcast- en interviewsnippets (mediaan 817 impressies, +61%). Het gaat niet om de aankondiging van een aflevering, maar om een concreet moment, een quote of een inzicht dat losstaand waardevol is.
Snackable content vanuit een gesprek werkt. Een promotiepost niet.
Educational content staat onderaan met mediaan 255 impressies, 50% onder het gemiddelde. ‘5 tips voor...’ en ‘Wist je dat...’-posts halen consistent weinig bereik.
De uitzondering: educational content gekoppeld aan een sterk persoonlijk standpunt presteert soms uitzonderlijk goed, met uitschieters boven de 30.000 impressies. Maar op dat punt is het geen educational content meer, maar thought leadership.
Klantcases scoren mediaan 459 impressies. Dit onderwerp werkt alleen als lezers de genoemde klant herkennen, en bij een breed netwerk is die herkenning er meestal niet. Een enkele case gaat viraal, de meeste blijven onder het gemiddelde.
Posts die een dienst aanprijzen zonder menselijk verhaal verdrinken in de feed: dit is het laagst scorende topic in de dataset.
LinkedIn beloont mensen, niet merken.
Voor de praktijk betekent dit een verschuiving in waar de aandacht naartoe gaat. Een teamwisseling, een event bezoek of recap, dat zijn de momenten die nu vaak ongepland blijven, terwijl ze het meeste opleveren.
Dat betekent niet dat andere formats geen plek hebben op de feed. Klantcases hebben geen groot bereik nodig, je wilt de juiste persoon bereiken. Productaankondiging krijgen weinig bereik, maar slaan wel aan bij bijvoorbeeld de technische geeks die op een update aan het wachten waren.
Daarnaast is het - zoals altijd - afhankelijk van de sector. Een productaankondiging van Leadinfo of Notion maakt menig B2B marketeer erg gelukkig en kan rekenen op flink wat bereik en engagement.
Learning: Hou het persoonlijk. LinkedIn beloont mensen, niet merken.
De 3.677 posts zijn ingedeeld op onderwerp op basis van de werktitel in de contentkalender. Dat werkt goed voor herkenbare categorieën als welkomstposts, vacatures en events, die consistent gelabeld zijn. Maar 80% van alle posts valt buiten die categorieën en is samengevat onder 'thought leadership', wat die categorie meer een vangnet maakt dan een betekenisvolle indeling.
Gebruik de cijfers in dit hoofdstuk als inspiratie, niet als bewijs. De richting klopt: welkomstposts en afscheidsberichten scoren hoog, tips en productposts scoren laag. Maar harde uitspraken over welk inhoudelijk onderwerp het beste werkt, kunnen we op basis van deze data niet maken. Daarvoor is een analyse nodig waarbij posts handmatig worden gelabeld op onderwerp.
Niet alleen de post format, topic of soort (persoonlijk/bedrijfsaccount) hebben impact op de post performance. Ook de dag en tijdstip van posten kan impact hebben op hoe vaak je post wordt gezien. Zelf hielden we vaak 2 momenten aan:
Maar onze data laten zien dat andere tijden wellicht beter werken.

De verwachte piek in de ochtend (08:00–09:00) is de meest gebruikte posting-window met 1.276 posts, maar presteert niet het best.
De slechtst presterende tijden om te posten:
De best presterende tijden om te posten:
Onze eigen data gaat dus in tegen wat intuïtief voelde als de beste tijd om te posten.
De verklaring is waarschijnlijk: concurrentie. Omdat iedereen om 08:00–09:00 post, is de concurrentie in de feed op dat moment het hoogst.
Hetzelfde zie je terug rond lunch, posts die worden geplaatst rond 12:00 presteren vaak slechter omdat “iedereen” rond deze tijd post. Vroeger (07:00) of later (18:00) posten geeft meer kans in de feed.
Extern onderzoek bevestigt dit. Uit een analyse van 2,6 miljoen posts blijkt dat het populairste postmoment niet het best presterende moment is:
"posting volume peaks at 9am... but the best-performing hour is 7am to 8am, just before the rush. By 9am, when the feed is flooded, the average post does measurably worse than it did an hour earlier." [MagicPost, 2026]
De verklaring die daarbij wordt gegeven, sluit direct aan bij wat wij zien:
"At 9am you are competing with everyone else's 9am post for that first batch. At 7:30am, you are one of the few things in the feed, so you get a cleaner first read."
Daarnaast zijn de eerste 60-90 minuten van posten het belangrijkste. [Expandi.io, 2026]
In die 60-90 minuten wordt elke post eerst aan een kleine testgroep getoond, en hun reactie bepaalt het verdere bereik. Op piekmomenten strijden veel posts gelijktijdig om diezelfde testgroep, wat de mediaan impressies per post drukt.
Wil je een hogere kans op meer impressies? Post dan op een maandag of zaterdag. Daarnaast presteren vrijdag en zondag goed. Kortom: de dagen rondom het weekend zijn de best presterende dagen.
Donderdag is opvallend: het is de meest gebruikte postdag (877 posts) maar het laagst presterende. Waarschijnlijk JUIST om die reden: veel mensen posten op die dag waardoor jouw post moet opboksen tegen vele anderen.
Dat zie je ook terug bij de best presterende dagen. Onze data laten zien dat er juist op die dagen minder wordt gepost.
De spreiding in mediaan impressies tussen het beste en slechtste tijdstip op weekdagen bedraagt circa 530 impressies (373 om 22:00 vs. 904 om 18:00). De spreiding tussen formaten bedraagt 1.597 impressies (33 voor articles vs. 1.630 voor carousels). Tijdstip verklaart dus een fractie van wat formaat en accounttype verklaren.
Er is dus wel degelijk een effect: op het juiste tijdstip posten kan je post een boost in impressies geven.

Op basis van de data gelden de volgende vuistregels - in volgorde van impact:
Een tijd lang was engagement een van de weinige factoren die bepaalde of je post veel werd getoond. In die periode waren zogenaamde engagement-pods populair: binnen zo'n pod spraken bedrijven en personen af dat een geplaatste post automatisch een like of comment kreeg van de andere leden.
Die tactiek heeft al een tijdje geen effect meer. Dezelfde tien mensen die op je post reageren, zorgen ervoor dat je post vooral aan die tien mensen wordt getoond, en de kans is groot dat die mensen niet in je ICP zitten.
Daarnaast is engagement een steeds minder belangrijke graadmeter.
Het succes van een post is nu afhankelijk van veel andere factoren.
Één van de grootste: dwell time.
Dwell time gaat over hoe lang iemand bij een post stilstaat, of ze op 'meer lezen' klikken, hoeveel slides ze door swipen. Daarnaast evalueert LinkedIn's algoritme model (360Brew) inmiddels de expertise en context van content.
Dit verklaart waarom generiek "5 tips"-content structureel minder goed presteert: het algoritme herkent de content als niet-onderscheidend. Dit soort tips worden makkelijk opgesteld door LLM’s. Een mening of een visie op een trend valt moeilijk te generen en presteert dus beter.
Nog een belangrijk punt om te delen. Engagement rate is het percentage kijkers dat reageert. Impressies tellen hoeveel mensen de post zien. De twee bewegen vaak tegen elkaar in.
Hoe groter het bereik van een post, hoe meer mensen de poster nauwelijks kennen, en hoe minder vaak ze reageren: het percentage daalt terwijl het bereik stijgt. Een hoge engagement rate is daarom zelden een teken van een sterke post. Vaker is het een teken van een kleine, trouwe kring kijkers.
We zien dat terug in onze eigen data. Bedrijfspagina's halen mediaan 558 impressies met een engagement rate van 2,4%. Persoonlijke profielen halen 829 impressies met 1,9%. Op het percentage wint de bedrijfspagina. Maar op aantal comments is vrijwel altijd het persoonlijke profiel de winnaar.
Engagement rate heeft wel een functie: gebruik hem om posts binnen hetzelfde account te vergelijken. Zakt de rate terwijl het bereik gelijk blijft, dan landt de content minder goed bij het vaste publiek. Voor vergelijkingen tussen accounts, of tussen profiel en pagina, zegt het cijfer minder.
Learning: stuur op impressies en het absolute aantal reacties. Reken percentages altijd om naar aantallen voordat je er een conclusie aan verbindt.
We verzamelden 3.661 posts van 22 klanten. Samen goed voor 5,1 miljoen impressies, verspreid over ruim een jaar.
We analyseerden welke formats werken, welke onderwerpen scoren en wat wint: de bedrijfspagina of het persoonlijke profiel.
Hier komt elke keer hetzelfde verhaal terug: LinkedIn beloont mensen, geen merken. De beste posts hebben een gezicht, een eigen mening of een onderwerp dat het netwerk raakt. Op elk punt in dit rapport wint de menselijke kant.
Persoonlijke profielen verslaan bedrijfspagina's.
Een welkomstpost verslaat een productpost.
Een mening verslaat een lijstje van tips.
En dat is goed nieuws: het geeft aan dat je niet altijd een groter budget nodig hebt, en ook geen duurdere video's. Je moet vooral veel van jezelf laten zien. Hou het persoonlijk en je posts hebben een grotere kans op succes.
Dataset
De primaire databron bestaat uit 22 geanonimiseerde CSV-exportbestanden afkomstig uit het social media management platform van evenzoveel B2B-organisaties. De gecombineerde dataset omvat:
Alle centrale analyses gebruiken de mediaan in plaats van het gemiddelde. LinkedIn-impressiedata kent een sterk rechtse scheefverdeling: een klein aantal posts met zeer hoog bereik (10.000–50.000 impressies) trekt het rekenkundig gemiddelde sterk omhoog en geeft een vertekend beeld van de "typische" prestatie. De mediaan is robuuster voor dit type data.
Carousels vs. multi-asset posts
Carousels en multi-asset posts staan in de brondata als twee aparte labels geregistreerd, maar bij meerdere organisaties worden ze door elkaar gebruikt. Posts die inhoudelijk carousels zijn, staan bij sommige klanten als multi-assets in de tool, en andersom. We hebben ze daarom samengevoegd tot één categorie. De cijfers zijn betrouwbaarder dan wanneer we ze apart hadden gelaten.
Filtercriteria en kwaliteitsborging
De volgende filtercriteria zijn toegepast:
Bekende beperkingen van de primaire data
De secundaire databron bestaat uit 20 gepubliceerde studies en benchmarkrapporten over LinkedIn-performance, gepubliceerd tussen april 2025 en juni 2026. De bronnen zijn geselecteerd op basis van: (1) expliciete vermelding van steekproefomvang, (2) recente publicatiedatum (maximaal 15 maanden oud ten opzichte van de analysedatum), en (3) methodologische transparantie.
Overzicht externe bronnen
| Bron | Steekproef | Periode | Primaire focus |
|---|---|---|---|
| Richard van der Blom - Algorithm InSights Report 2025 | 1,8–2,4 miljoen posts | 2024–2025 | Algoritme, formaten, timing |
| Socialinsider - LinkedIn Organic Benchmarks 2026 | 1,3 miljoen posts, 16.645 pagina's | 2025–2026 | Formaat-ER, bereik per type |
| Metricool - Post Format Analysis | 673.658 posts | 2025 | Formaat vs. impressies en ER |
| AuthoredUp - Best Performing Content 2026 | 3 miljoen posts | 2025–2026 | Content topics, bereik per onderwerp |
| Sprout Social - Q1 2026 Social Index | 52 miljoen posts | Q1 2026 | Accounttype, engagement rates |
| LinkPost - Algorithm Study 2026 | 438.413 posts | 2026 | Algoritme-mechanica |
| Oktopost - Q1 2026 B2B Benchmark | Niet gepubliceerd | Q1 2026 | B2B-sector ER, formats |
| Tony Rochet - Q3 2025 Organic Reach Analysis | 310.000+ posts | Q3 2025 | Bereiksdaling, format multipliers |
| GrowWithGhost - Post Formats Ranked 2026 | Niet gepubliceerd | 2025–2026 | Formaat-impressies, ER |
| SuperGrow AI -Best Time to Post on LinkedIn in 2026 | 8 miljoen posts | 2026 | Beste tijd om te posten |
| MagicPost - What's the Best Time to Post on LinkedIn in 2026? | 2.6 miljoen posts | 2026 | Beste tijd om te posten |
| Vulse - LinkedIn Content Benchmarks 2026 | 1,3 miljoen posts | 2026 | Formats, employee advocacy |
| SocialNexis - B2B Engagement Benchmarks 2026 | Niet gepubliceerd | 2026 | B2B ER per sector |
| Meet Lea - Employee Advocacy 2026 | Niet gepubliceerd | 2026 | Advocacy-multipliers |
| DSMN8 / Jody Leon - Advocacy Benchmark 2026 | Niet gepubliceerd | 2026 | Advocacy-adoptie, frequentie |
| Agility PR / SocialPubli - Advocacy Benchmark 2025 | Niet gepubliceerd | 2025 | Advocacyreach, engagement |
| StraightIn - Best Month for Lead Generation | Campagnedata | 2024–2025 | Seasonality, conversie per maand |
| Prospectory - Carousels vs Video: Dwell Time 2026 | Niet gepubliceerd | 2026 | Dwell time mechanica |
| Ordinal - LinkedIn Company Page Reach 2026 | Niet gepubliceerd | jan 2026 | Bereiksdaling bedrijfspagina's |
| Expandi.io - How the LinkedIn Algorithm Works in 2026 | Niet gepubliceerd | Mei 2026 | Linkedin Algorithm |
Beoordeling en weging van externe bronnen
Niet alle externe bronnen hebben gelijke methodologische kwaliteit. De volgende weging is gehanteerd:
Hoogste betrouwbaarheid - bronnen met expliciete steekproefomvang ≥ 100.000 posts en gedocumenteerde methodologie:
Gemiddelde betrouwbaarheid - bronnen met vermelde steekproef maar beperkte methodologische toelichting:
Indicatief - bronnen zonder expliciete steekproefgrootte, gebruikt ter illustratie of triangulatie:
Bekende beperkingen van de externe data
Analysemethoden
Vergelijkende analyse
Bevindingen uit de primaire portfoliodata zijn systematisch naast externe benchmarks gelegd om drie vragen te beantwoorden:
Statistisch voorbehoud
Het rapport trekt geen causale conclusies. Alle verbanden zijn correlatief van aard. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om op basis van de beschikbare data te concluderen dat een bepaald tijdstip oorzakelijk leidt tot meer impressies - andere factoren (formaat, accounttype, netwerkgrootte, contentkwaliteit) zijn confounders die niet volledig gecontroleerd zijn.
Drempelwaarden voor betrouwbaarheid
Toepasbaarheid en generaliseerbaarheid
De bevindingen zijn het meest direct toepasbaar op:
De generaliseerbaarheid naar grote enterprise-accounts, B2C-organisaties, of markten buiten Nederland/België is beperkt en vereist aanvullend onderzoek.
Wat we niet kunnen zeggen
De data laat samenhang zien, geen oorzaak. Dat carousel posts meer impressies halen dan tekstposts wijst niet vast op het format als oorzaak. Onderwerp, schrijver en moment spelen mee. De patronen komen breed genoeg terug om als richtlijn te gebruiken.